Deze roman gaat over het leven van de Rājakumāra Aśoka, later Mahārāja, uit het geslacht van de Maurya’s, die regeerde in de derde eeuw BC in Jambudvīpa, het huidige India. Als jonge Rājakumāra leert hij het rijk van zijn vader Bindusara kennen. Zijn onstuimige, maar eerlijke karakter brengt hem vaak in moeilijkheden. Hij wordt geprezen om zijn moed en fierheid, gevreesd om zijn directe en vaak harde manier van optreden en ook om zijn doortastendheid om list en bedrog van zijn vijanden te doorzien. Als opvolger van zijn vader wordt hij de Wijze Heerser (deel II van deze Indiase roman), een eerlijke doch met straffe hand regerende Mahārāja. Dan echter, na vele jaren van zoeken en afwegen, ondergaat hij de diepe wijsheid van de leer van Gautama de Buddha en wordt hij de Grote Maner (deel III), vervuld van mededogen, die zijn rijk bestuurt volgens Buddhistische principes.
Deze prachtige trilogie bevat vele parels van wijsheid. Op onnavolgbare wijze geschreven, schetst het verhaal een beeld van het (religieuze) leven in het oude India, de gemoedstoestanden en karakters van personen en vele wijze leringen. Een boek dat levens kan beïnvloeden en veranderen…